1. De D/T-check: De ‘Smurfenregel’
Twijfel je bij werkwoorden? Vervang het werkwoord in je hoofd door ‘smurfen’ of ‘lopen’. Wat je daar hoort, schrijf je ook bij je echte werkwoord.
- Tegenwoordige tijd:
- “Hij wordt achtervolgd.” (Hij loopt – je hoort een t, dus stam+t).
- “Word jij achtervolgd?” (Loop jij – je hoort geen t, dus alleen de stam).
- Verleden tijd:
- Gebruik ’t kofschip x. Eindigt de stam op een van deze medeklinkers? Dan krijg je -te. Zo niet? Dan -de.
- Actie-voorbeeld: “Hij miste (stam mis + te) het schot, maar de kogel raakte (stam raak + te) de muur.”
2. Voltooid deelwoord vs. bijvoeglijk naamwoord
Dit is een klassieke valstrik bij het beschrijven van scènes.
- Voltooid deelwoord: “De rechercheur heeft de verdachte verbreed.” (Heeft smurft – d aan het eind).
- Bijvoeglijk naamwoord: “De verbrede weg bood een vluchtweg.” (Zo kort mogelijk geschreven).
- De valstrik: “Het vergrote document” (met één t) versus “Hij heeft het document vergroot” (met dubbel o en een t, want de stam is groot).
3. ‘Jou’ of ‘Jouw’? (Bezittelijk voornaamwoord)
In dialogen is dit de meest gemaakte fout.
- Jouw: Is het van jou? (Bezitsvorm – met een w).
- “Is dit jouw moordwapen?”
- Jou: Gaat het over de persoon zelf? (Geen bezit – geen w).
- “Ik heb jou gisteravond gezien bij de opgraving.”
- Check: Kun je er ‘je’ van maken? Dan kan het allebei, maar ‘jouw’ met een w kun je altijd vervangen door ‘mijn’. Kun je het vervangen door ‘mij’? Dan schrijf je ‘jou’.
4. Samengestelde woorden (De ‘aan elkaar’-regel)
Het Nederlands is dol op lange woorden. In het Engels schrijf je alles los, maar in onze taal plakken we woorden die bij elkaar horen aan elkaar.
- Fout: Lange afstands schot of archeologie professor.
- Goed: Langeafstandsschot of archeologieprofessor.
- Tip: Als je het als één begrip uitspreekt met de klemtoon op het eerste deel, schrijf je het meestal aan elkaar. Bij twijfel: een streepje mag vaak als het de leesbaarheid helpt (cosy-mystery).
5. Het ‘beletselteken’ spatie-mysterie
Wanneer komt er een spatie voor de drie puntjes?
- Hele zin afgebroken: “Ik wist niet dat hij…” (Spatie voor de puntjes).
- Woord afgebroken: “Wat een k-…” (Puntjes direct aan het woord).
💡 Snelle Tips voor de Eindredactie:
- Gebruik de zoekfunctie (Ctrl+F): Zoek op “wordt” en check of er “jij” achter staat. Zo ja? Haal die ’t’ weg.
- Pas op met ‘enigste’: Tenzij je bedoelt dat iemand heel erg ‘leuk’ of ‘lief’ is, gebruik je altijd enige. (“Hij was de enige getuige.”)
- Check de ‘hun/hen’: In een actiescène: “Ik gaf hun de informatie” (meewerkend voorwerp) versus “Ik zag hen vluchten” (lijdend voorwerp). Bij twijfel? Gebruik ze. Dat is bijna altijd goed en leest vlotter in actie-fictie!
